12

De dag kriekt, de wekker zal pas over een uur afgaan. Vandaag zal ze het middelpunt moeten zijn bij de officiële opening van het nieuwe bedrijfsgebouw. Ze hoort het gekwetter van de vogels in het bos. Ze draait zich om en kijkt door het slaapkamerraam naar de vage omtrekken van de grijs-oranje wolken die zich naar de zon spoeden. De zon komt niet op, de aarde draait naar haar toe en tegelijkertijd, duizenden kilometers verderop, van de zon af. Waarom denk ik dit, doezelt ze.

De vondst

Achtduizend kilometer verderop ligt Holland, denkt Otto. Het waait niet hard, de oceaan ligt er zeldzaam als een spiegel bij. Hij staat op een rots, dertig meter beneden hem blijkt dat de vlakke zee slechts schone schijn weerspiegelt. De oceaan beukt op de rotsen van Tintamarre, het schuim spat hoog op, onder een oorverdovend lawaai. Dan trekt de zee zich terug, haalt diep adem, neemt een aanloop en smijt zich koppig andermaal tegen de rotswand. Het is alsof de rotsen het water lanceren, maar onderweg doet de zwaartekracht haar werk. De snelheid waarmee het schuim omhoog schiet neemt in rap tempo af en het schuim lijkt terecht te komen in een vertraagd afgedraaide film.

Met een stok priegelt en wrikt Otto wat tussen de rotsen om te zien of hier nog iets leeft of groeit. Hij kantelt een rotsblok opzij en ziet een stuk van een steen tevoorschijn komen dat een afwijkende vorm en kleur heeft vergeleken met de andere stenen en rotsen. Hij wroet de rest van de steen vrij en neemt het in zijn handen. Dit lijkt geen steen, maar iets anders. Het ding heeft een ovale vorm, is ongeveer twintig centimeter lang, vijftien centimeter breed en in het midden vijf centimeter dik, aflopend naar de randen. Het heeft een doffig bruine kleur en voelt glad en keihard aan. Het is minder zwaar dan je van een steen met die omvang zou verwachten. Het lijkt gemaakt van een soort plastic of keramiek, in ieder geval kunstmatig. Aan de uiteinden en zijkanten zitten kleine ronde verdikkingen met een opening lijkt het. Otto klopt op het ding, het klinkt hol, maar op de een of andere manier niet helemaal leeg. Hij schudt aan het ding maar hoort of voelt niets bewegen. Otto pakt een andere steen en probeert daarmee het ding te bekrassen, wat met geen mogelijkheid lukt.

"Ka-netter", zegt Otto hardop tegen zichzelf, "wat is dit dan?"

Otto loopt terug naar zijn huis met het ding onder zijn arm. Onderweg gaan allerlei gedachten door zijn hoofd over wat zijn vondst zou kunnen zijn.

Het zou een gebruiksvoorwerp of onderdeel van iets kunnen zijn dat ooit is aangespoeld. Maar hoe is het ding dan tussen de rotsen, dertig meter boven de zeespiegel, terechtgekomen? Meegenomen door een orkaan? Dat lijkt sterk, gezien de gladde vorm; de wind heeft er nauwelijks vat op. En wat voor gebruiksvoorwerp of onderdeel zou het dan zijn?

Misschien is het een kunstobject. Otto vindt het ding qua vorm best mooi. Maar meestal laten kunstenaars op hun werk wel één of ander herkenningsteken achter, een ingegraveerde naam, of datum. En dan nog is het weer de vraag hoe het hier terecht is gekomen. Een kunstenaar zou het moedwillig hier verstopt kunnen hebben.

Otto moet weer denken aan de steen op de vloer in het museum, met die tekst op de voor niemand leesbare onderkant. Toch moet die kunstenaar dat ding dan ergens gemaakt hebben, met het idee om op een goede dag uit te varen en het kunstobject op een onbewoond eiland te verstoppen. De kunstenaar zou van het hele gebeuren een foto- of videopresentatie gemaakt kunnen hebben, die nu ergens tentoongesteld wordt. Nog niet zo'n gek idee, denkt Otto. Het object zou dan vallen onder dezelfde categorie als die steen in het museum: 'Hidden Art'. De achterliggende idee zou dan zijn om het publiek erop te wijzen dat niets is wat je ziet. Je ziet alleen jouw interpretatie van iets; waar je denkt niets te zien is er toch altijd wel wat. Of: je moet verder denken dan je gewoon bent, buiten de geijkte paden treden, je denkkader verruimen, verdiepen. Zou ook een mooie titel van het kunstwerk kunnen zijn: 'De Verre Blik'. Al met al tamelijk vergezocht denkt Otto.

Otto houdt zijn pas even in. Hij bedenkt zich dat hij bij zijn poging om het ding te duiden niets anders doet dan juist de geijkte denkpatronen toepassen. In eerste instantie dacht hij aan iets van de natuur, vervolgens aan een door mensen gemaakt onderdeel of gebruiksvoorwerp en toen dat niets opleverde verhief hij het ding maar tot kunst.

Otto loopt verder en passeert de ruïne van het plantagehuis. Goed, denkt Otto, laat ik dan eens proberen buiten de geijkte paden te treden. Hij slaat linksaf waar hij normaal het pad zou hebben vervolgd. De zoute wind komt nu van voren en prikkelt zijn neus en ook zijn gedachten lijkt wel. Laten we er eens van uitgaan dat het ding iets is dat de mens nog niet kent, denkt Otto. Wat zou het dan kunnen zijn? Deze gedachte brengt Otto in de war. De vraag stellen wat iets is dat je niet kent, lijkt per definitie onoplosbaar.

Maar mensen hebben altijd gezocht naar dingen, verklaringen voor verschijnselen, die ze nog niet kenden. En af en toe is er iemand die daadwerkelijk iets totaal nieuws vindt, wat vanaf dat moment, na enige gewenning, de nieuwe standaard wordt, het nieuwe geijkte pad. Men vindt dan een verklaring, een ding, een truc, die er altijd al waren, maar waarvan niemand het bestaan wist, net zoals het in perspectief tekenen, waar Otto al eerder over had zitten peinzen.

Achteraf gezien vindt Otto het volkomen begrijpelijk dat mensen dachten dat je op een vel papier, een plat vlak, dingen ook alleen plat kan weergeven. Totdat iemand ooit op een lange rechte weg liep en zich ervan bewust werd dat de weg aan de horizon smaller leek dan hij in werkelijkheid was en dit principe, als truc, toe ging passen op een vel papier. Waarschijnlijk was dit iemand die de vurige wens had om de dingen zo echt mogelijk op een plat vlak weer te geven, een wens die tot op dat moment misschien helemaal niet bestond.

En toeval dan, denkt Otto, hoe zit het daarmee? Ik heb dat keramiek-achtige ding toch ook maar bij toeval gevonden. Maar toeval, of geluk, kan je tot op zekere hoogte ook afdwingen. Als de mens maar iets hard genoeg wilt, dan vindt hij wel een manier. Of hij verzint gewoon wat. Het ontstaan van godsdiensten is daar een voorbeeld van. Waar een wil is, is een weg. Is het dan zo simpel? Zo is de wetenschap er nu van overtuigd dat de mens nooit snel genoeg zal kunnen reizen om een planeet bij een andere ster dan de zon te kunnen bezoeken. Maar als bekend zou worden dat de zon over een paar honderd jaar zou doven of exploderen, dan zouden we wel een manier weten te vinden. Er zou een ruimteschip worden gebouwd waarin een grote groep mensen honderden jaren, van generatie op generatie, onderweg zou zijn om een nieuwe bewoonbare planeet te zoeken. Het zou Otto niet verbazen als dat zelfs bij de huidige stand van de wetenschap mogelijk zou zijn. Aardig onderwerp voor een sciencefictionroman denkt Otto, of zou die al geschreven zijn?

Wetenschappers van nu zitten ook gevangen in een bepaald denkkader, een paradigma, een woord dat Otto altijd vergeet, maar hem nu zomaar te binnen schiet. Zolang er geen noodzaak is om nieuwe paden te betreden, zal dat ook niet snel gebeuren. Bovendien levert het huidige wetenschappelijke denkkader voorlopig nog genoeg schijnbaar nieuwe dingen op; de mogelijkheden ervan zijn nog lang niet uitgekauwd. Het begrip 'evolutie' bijvoorbeeld wordt toegepast binnen de nu bekende natuurkundige en biologische wetten. Maar wat als deze wetten zelf onderwerp zijn van evolutie? Otto weet niet of hij deze laatste gedachte nu zelf heeft verzonnen, of dat hij hier toch ooit eens iets over heeft gelezen.

Misschien is het ding iets dat van buiten de aarde afkomstig is bedenkt Otto opeens. Een onderdeel van een satelliet of space shuttle of iets dergelijks. Of een apparaat afkomstig van een buitenaardse beschaving. Zo is het wel genoeg, denkt Otto, het lijkt wel of ik een persoon uit een sciencefictionroman speel, de Caribische zon speelt me parten. Hij besluit naar Petite Femme te lopen, het ding zorgvuldig in zijn huis op te bergen en daarna eens poolshoogte te gaan nemen op Baie Blanche, waar die zeilboot zo langzamerhand moet zijn aangekomen.


naar volgende hoofdstuk



Last modified:  ÓForceDragon